Woke is niet dood
Afgelopen week verschenen de nieuwe taalrichtlijnen van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en werd de vernieuwde Schijf van Vijf gepresenteerd door het Voedingscentrum. Op het eerste gezicht totaal verschillende onderwerpen. Maar wie beter kijkt, ziet eenzelfde onderstroom: de overheid die steeds nadrukkelijker voorschrijft hoe we spreken, denken en leven.
Woke is daarmee allesbehalve verdwenen. Het is simpelweg verschoven van activisme op straat naar beleid achter bureaus.
Ook lokaal zien we die ontwikkeling terug. In Enschede ging onlangs de Enschedese Nachtraad van start, een initiatief dat zegt de stad inclusiever en representatiever te willen maken. Dat klinkt sympathiek. Maar de vraag is: representatief voor wie — en op basis van welke ideeën?
Wat is woke eigenlijk?
De klassieke indeling van links, midden en rechts schiet steeds vaker tekort. De echte scheidslijnen lopen vandaag de dag anders: tussen open en gesloten grenzen, tussen nationale zeggenschap en internationale sturing — en tussen een samenleving die organisch groeit en een samenleving die van bovenaf wordt vormgegeven.
‘Woke’ hoort in die laatste categorie. Niet als scheldwoord, maar als aanduiding van een manier van denken waarin maatschappelijke uitkomsten niet meer het gevolg zijn van vrije keuzes, maar van bewuste sturing. Waarbij taal, gedrag en zelfs cultuur instrumenten worden om een bepaald wereldbeeld af te dwingen.
Dat denken — de overtuiging dat de samenleving maakbaar is — heeft diepe wortels in stromingen die ongelijkheid niet zien als uitkomst, maar als probleem dat actief gecorrigeerd moet worden. Niet door ruimte te geven, maar door te sturen. Niet door verschillen te accepteren, maar door ze te herdefiniëren.
Van straat naar systeem
Wat ooit begon als activisme, heeft zich de afgelopen jaren genesteld in instituties. Niet via een grote revolutie, maar via richtlijnen, subsidies en beleidskaders.
Dat zie je:
- in taalgebruik dat niet langer beschrijft, maar voorschrijft
- in beleid dat niet langer faciliteert, maar richting geeft
- in subsidies die niet neutraal zijn, maar voorwaarden stellen aan inhoud en boodschap
En juist daar schuurt het.
Onderwijs: van voorloper naar middenmoot
Nederland stond ooit aan de top als het ging om onderwijs. Universiteiten waren plekken van debat, tegenspraak en intellectuele nieuwsgierigheid. Die positie is niet vanzelf verdwenen — die hebben we stukje bij beetje ingeruild.
Vandaag de dag behoren we, ook in Europees perspectief, steeds vaker tot de middenmoot. Niet omdat studenten minder kunnen, maar omdat de academische cultuur verandert.
Universiteiten zouden plaatsen moeten zijn waar ideeën botsen en waarheid wordt gezocht. In de praktijk zie je steeds vaker het tegenovergestelde: een omgeving waarin sociale veiligheid en morele conformiteit zwaarder wegen dan inhoudelijke confrontatie.
Onder invloed van beleid, bestuur en maatschappelijke druk is er een cultuur ontstaan waarin:
- bepaalde opvattingen als vanzelfsprekend worden gezien
- afwijkende meningen eerder worden gemeden dan bevraagd
- en academische vrijheid ondergeschikt raakt aan sociale wenselijkheid
Dat is geen complot en geen toeval. Het is het gevolg van een bredere ontwikkeling waarin ook universiteiten steeds meer worden gestuurd op thema’s als inclusie, diversiteit en maatschappelijke impact — vaak vastgelegd in beleidskaders en financieringsstromen, onder andere vanuit het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
Op zichzelf zijn dat begrijpelijke doelen. Maar wanneer ze leidend worden in plaats van aanvullend, verschuift de kern van de universiteit: van waarheidsvinding naar richting geven.
Voedselzekerheid onder druk
Klimaatbeleid is in Europa uitgegroeid tot een dominante beleidslijn. Doelstellingen rond CO₂-reductie en natuurherstel sturen inmiddels grote delen van ons ruimtelijk en economisch beleid, verankerd in onder meer Natura 2000-kaders.
De vraag is niet of klimaatbeleid nodig is, maar wat het effect is wanneer één doelstelling steeds zwaarder gaat wegen dan alle andere belangen samen.
In de praktijk zien we dat terug in keuzes die direct raken aan onze voedselproductie:
- landbouwgrond die onder druk komt te staan door natuur- en energieprojecten
- een sterke focus op elektrificatie, terwijl de totale systeemimpact en infrastructuurkosten vaak onderbelicht blijven
- en ruimtelijke keuzes waarbij landbouw steeds vaker moet inleveren voor andere functies
Tegelijkertijd wordt de energietransitie grootschalig uitgerold via wind- en zonne-energie. Daarbij blijft de discussie over ruimtelijke inpassing, netcongestie en grondgebruik vaak beperkt tot de uitvoering, terwijl de impact op landbouwstructuren en voedselproductie wel degelijk reëel is.
De internationale dimensie
Daar komt nog iets bij.
Terwijl de Europese Unie inzet op verregaande verduurzaming van de eigen productie, worden tegelijkertijd handelsakkoorden voorbereid of gesloten met landen buiten Europa, zoals in het geval van het EU-Mercosur handelsakkoord.
Daar ontstaat een spanningsveld:
- hogere Europese standaarden op het gebied van milieu, dierenwelzijn en arbeid
- versus import van producten uit regio’s waar die standaarden anders zijn ingericht
De vraag is dan niet alleen economisch, maar ook strategisch: hoe borgen we onze voedselzekerheid en concurrentiepositie in zo’n speelveld?
Schijf van Vijf en klimaatdenken
Ook in voorlichting en gezondheidsbeleid zien we een verschuiving.
De vernieuwde richtlijnen van het Voedingscentrum integreren steeds vaker bredere maatschappelijke thema’s, waaronder duurzaamheid en klimaatimpact, in voedingsadvies.
Op zichzelf is het logisch dat gezondheid en duurzaamheid elkaar raken. Maar het risico ontstaat wanneer voedingsrichtlijnen niet alleen gaan over wat gezond is voor de mens, maar ook over het behalen van beleidsdoelen op andere terreinen.
Dan verschuift de kern:
van voedingsadvies op basis van gezondheid
naar gedragssturing op basis van meerdere (SDG) beleidsagenda’s tegelijk
Conclusie: minder sturen, meer ruimte
Wat in al deze voorbeelden terugkomt, is niet één los beleidsterrein, maar eenzelfde manier van denken: de overtuiging dat de samenleving maakbaar is via beleid, richtlijnen en sturing.
Of het nu gaat om taal, onderwijs, nachtleven, voedsel of landbouw — steeds vaker verschuift de rol van de overheid van faciliteren naar normeren. Van ruimte geven naar richting bepalen. Van vertrouwen in de samenleving naar het ontwerpen van de samenleving.
Een vrije samenleving hoeft niet voorgeschreven te krijgen hoe zij moet spreken, eten, denken of leven om divers of inclusief te zijn. Die diversiteit bestaat al, juist omdat mensen verschillen. En die verschillen hebben geen permanente beleidsbegeleiding nodig om te bestaan.
De kracht van een volwassen samenleving is niet dat zij overal een kader voor heeft, maar dat zij ruimte laat voor keuze, initiatief, respect en verscheidenheid — ook als dat niet in één beleidsmodel past.
Daarom is de richting die we nu steeds vaker zien een omkering:
niet de samenleving als uitgangspunt, maar het beleidskader als uitgangspunt.
En precies daar hoort een grens te liggen. Niet tegen diversiteit, verandering of ideeën.
Maar wel tegen de reflex om alles via beleid, richtlijnen en subsidie te willen vormgeven.
Een samenleving waarin mensen mogen zijn wie ze zijn, heeft geen permanente bevestiging van de overheid nodig. En zeker geen systeem waarin elke uiting eerst moet passen binnen een beleidsdoel om bestaansrecht te hebben.
Minder sturing, meer ruimte.
Minder uniformiteit, meer vrijheid.
Meer vertrouwen in de samenleving zelf.
Geef een reactie