In Enschede spreken we veel over de “menselijke maat”, maar juist in de praktijk zien we dat regels nog altijd belangrijker worden gemaakt dan rechtvaardigheid.

Slachtoffers van de toeslagenaffaire krijgen een dwangsom omdat de overheid zelf te laat is. Dat geld melden zij netjes, zoals het hoort. En vervolgens worden zij gestraft door het stopzetten van hun bijstand. Dat is niet alleen juridisch discutabel, maar vooral moreel onhoudbaar.

De wet biedt ruimte voor uitzonderingen. Die ruimte wordt in Enschede structureel niet benut. Sterker nog: inwoners die via een bezwaarprocedure in het gelijk worden gesteld, moeten vervolgens alsnog naar de rechter om hun recht te halen. Dat tast de geloofwaardigheid van de overheid aan.

Als we de menselijke maat serieus nemen, dan vraagt dat niet om woorden, maar om keuzes. Juist in dit soort gevallen.

Artikel 35-vragen – Dwangsommen dwansommeentoeslagenaffaire en bijstandsbeleid

  1. Is het college bekend met de recente berichtgeving over meerdere inwoners van Enschede die hun bijstandsuitkering verliezen na ontvangst van een dwangsom in het kader van de toeslagenaffaire?
    Antwoord: Ja.
  2. Hoeveel inwoners in Enschede zijn tot op heden geconfronteerd met het stopzetten of terugvorderen van bijstand als gevolg van een ontvangen dwangsom in relatie tot de toeslagenaffaire?
    Antwoord: Bij het college zijn twee situaties bekend waarvan de uitkering van inwoners is beëindigd nadat deze inwoners een dwangsom ontvingen. Er was hier geen sprake van het terugvorderen van de bijstand.
  3. Op welke wijze maakt het college onderscheid tussen een dwangsom en een schadevergoeding, en in hoeverre wordt daarbij rekening gehouden met de context van de toeslagenaffaire?
    Antwoord: Het is niet aan het college om dit onderscheid zelf te maken. In de Participatiewet heeft de wetgever onderscheid gemaakt tussen een schadevergoeding en een dwangsom. Schadevergoedingen die slachtoffers van de toeslagenaffaire hebben ontvangen, worden bij de beoordeling van het recht op bijstand volledig buiten beschouwing gelaten. Voor dwangsommen geldt deze vrijlating niet.
    Dit verschil hangt samen met het doel van de dwangsom, dat wezenlijk anders is dan dat van een schadevergoeding. Een dwangsom is bedoeld als instrument om bestuursorganen aan te zetten tot tijdige besluitvorming. Het is daarmee geen straf voor het te laat beslissen en ook geen compensatie voor degene die langer op een besluit heeft moeten wachten. Op basis van de Participatiewet en vaste jurisprudentie wordt een dwangsom daarom aangemerkt als vermogen.
  4. Deelt het college de opvatting dat een dwangsom in deze specifieke gevallen direct voortvloeit uit het uitblijven van herstel na onrechtmatig overheidshandelen, en daarmee materieel onderdeel is van datzelfde herstelproces?
    Antwoord: Nee, want deze dwangsom onderscheidt zich niet van andere dwangsommen en worden in het kader van de Participatiewet, in tegenstelling tot de schadevergoeding, niet vrijgelaten. Het college maakt een zorgvuldige afweging waarbij we de menselijke maat wel degelijk hanteren. Het betreft het stopzetten van een uitkering, waar voldoende geld aanwezig is om in eigen onderhoud te voorzien. Het betreft geen terugvordering en wanneer er (weer) recht is zal er ook weer een uitkering verstrekt worden.
  5. Welke beleidsruimte ziet het college binnen de Participatiewet om in uitzonderlijke gevallen af te wijken van de vermogensgrens, zoals ook door de VNG wordt benoemd?
    Antwoord: Volgens de Participatiewet en bestaande rechtspraak geldt dat een dwangsom wordt gezien als vermogen. Het college heeft hierin geen keuzeruimte, omdat dit is vastgelegd in dwingend recht. Daarnaast stellen artikel 11 en 19 van de Participatiewet dat iemand geen recht heeft op bijstand als zijn of haar vermogen hoger is dan de toegestane grens. Ook dat is dwingend recht. Wel is bij het stopzetten van de bijstand zorgvuldig getoetst aan het evenredigheidsbeginsel volgens het zogenaamde drie-stappenplan (is het besluit geschikt, noodzakelijk en evenwichtig), zoals recent in de rechtspraak is ontwikkeld. In de uitgebreide procedure voorafgaand aan besluitvorming van het college is dit ook gebeurd. Hier is echter uitgekomen dat stopzetting van bijstand niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel nu tegenover de stopzetting van bijstand staat dat wordt beschikt over een vermogen boven de vermogensgrens waarmee (tijdelijk) in eigen levensonderhoud kan worden voorzien. Voortzetting van bijstand in zo’n geval tevens in zou druisen tegen voornoemde dwingendrechtelijk bepalingen.
    Wij merken hierbij op dat géén sprake was een terugvordering. Indien geen sprake is van schending van de informatieplicht is er bij de terugvordering van teveel betaalde bijstand namelijk geen sprake van dwingend recht. Er is dan meer keuzeruimte voor het college om al dan niet teveel betaalde bijstand terug te vorderen.
  6. Hoe vaak heeft het college in de afgelopen vijf jaar gebruikgemaakt van deze uitzonderingsruimte bij de toepassing van de vermogensgrens binnen de bijstand?
    Antwoord: Dit komt niet voor. Er is sprake van een dwingend recht en er is dus wettelijk gezien geen keuzeruimte om een dwangsom wel of niet als vermogen aan te merken. Daarentegen zit wél “uitzonderingsruimte’ bij de keuze om bijstand al dan niet terug te vorderen indien men door het ontvangen van de dwangsom teveel bijstand heeft gehad en hiervan tijdig melding heeft gemaakt. Daarvan was in deze casuïstiek geen sprake.
  7. Kan het college toelichten waarom in deze gevallen geen gebruik is gemaakt van deze uitzonderingsruimte, ondanks:
    – de bijzondere context van de toeslagenaffaire
    – het doel van de hersteloperatie (erkenning en herstel)
    – en het advies van de bezwarencommissie?
    Antwoord: Bij de beoordeling is rekening gehouden met de bijzondere context en het doel van de hersteloperatie, waarbij zorgvuldig is overwogen of er aanleiding is en mogelijkheden bestaan om voor slachtoffers van de toeslagenaffaire een uitzondering te maken. Wij hebben besloten hiervan af te zien om de volgende redenen:
    – Het vrijlaten van de dwangsom en het voortzetten van de bijstand bij overschrijding van de vermogensgrens zou in strijd zijn met dwingend recht.
    – Een dergelijke uitzondering zou leiden tot ongelijke behandeling ten opzichte van andere bijstandsgerechtigden die een dwangsom ontvangen. Naar verwachting zal dit strijd opleveren met het gelijkheidsbeginsel, omdat er, gelet op het doel van de dwangsom (die voor iedereen hetzelfde is), geen gerechtvaardigd onderscheid kan worden gemaakt.
    – De gevolgen van het besluit (het stopzetten van de bijstand zolang het vermogen boven de vermogensgrens uitkomt) zijn niet disproportioneel ten opzichte van het doel. Na ontvangst van de dwangsom beschikt de betrokkene over voldoende middelen om in het eigen levensonderhoud te voorzien. Het college mag het deel van het vermogen dat boven de vermogensgrens uitkomt niet buiten beschouwing laten. Op grond van artikel 34, derde lid van de PW bedraagt de vrij te laten vermogensgrens per 1 januari 2026 voor een alleenstaande € 8.000,00 en voor een alleenstaande ouder en gehuwden € 16.000,00. Alleen in casuïstiek waarbij deze vermogensgrenzen worden overschreden, heeft dit consequenties voor de bijstand. Zolang het vermogen hieronder blijft zal dit geen consequenties hebben. Daarnaast hoeft dus ook niet het volledige bedrag van de dwangsom te worden gebruikt om weer aanspraak te kunnen maken op bijstand. Zodra het vermogen weer onder de vermogensgrens komt, staat het vermogen niet langer aan hernieuwde bijstandsverlening in de weg.
  8. Hoe verhoudt het niet volgen van een positief advies van de bezwarencommissie zich tot andere gevallen waarin adviezen van deze commissie wél worden overgenomen?
    Antwoord: Rond dezelfde periode waren twee vergelijkbare zaken behandeld bij de commissie bezwaarschriften. Er zijn twee verschillende adviezen gegeven door de commissie. Beide adviezen opvolgen zou leiden tot ongelijke behandeling van gelijke casuïstiek.
  9. Acht het college het wenselijk dat inwoners, na een voor hen positief advies van een bezwarencommissie, alsnog genoodzaakt zijn om juridische procedures te starten om hun recht te halen? Zo ja, waarom? Zo nee, wat gaat het college hieraan doen?
    Antwoord: Het college neemt haar besluiten zorgvuldig. Ook als dat afwijkt van een advies. Het college is genoodzaakt om de wet uit te voeren. Ook moet het college ervoor waken dat er geen ongerechtvaardigd onderscheid wordt gemaakt tussen twee nagenoeg identieke zaken, maar ook ten opzichte van andere bijstandsgerechtigden die een dwangsom ontvangen. Inwoners hebben het recht om in beroep te gaan tegen besluiten van het college.
  10. In hoeverre is er binnen de gemeente sprake van zogenaamd “geoormerkt” of anderszins vrijgelaten middelen voor gedupeerden van de toeslagenaffaire, en hoe worden deze financieel en juridisch verantwoord binnen de begroting en jaarstukken?
    Antwoord: Als u met uw vraag bedoeld of er binnen de gemeentebegroting een apart budget is begroot voor de toeslagenouders, dan is het antwoord daarop nee. Voor de Toeslagenaffaire hebben we voor de begeleiding (uitvoering) van Toeslagenouders personeelsbudgetten bij ons in de begroting opgenomen. Bij de vergoeding van brede ondersteuning worden de kosten verhaald op het Rijk.
  11. Kan het college inzicht geven in de interne richtlijnen, werkinstructies of beleidskaders die ambtenaren hanteren bij de beoordeling van dit soort gevallen?
    Antwoord: Ja, wij maken gebruik van de online kennisbank van Schulinck. Wij kunnen u, als u dit wenst, inzage geven in onze kennisbank. In Schulinck bevindt zich onder andere de actuele wet- en regelgeving, jurisprudentie, gemeentelijk beleid en werkinstructies.
  12. Hoe verhoudt de huidige handelwijze zich tot de uitkomsten van het gemeentelijke onderzoek naar de “menselijke maat”, waarin juist werd geconcludeerd dat meer ruimte nodig is voor maatwerk en uitzonderingen?
    Antwoord: we hebben de casussen zorgvuldig beoordeeld, binnen de kaders die de wetgever daarvoor heeft gesteld waarbij ook het evenredigheidsbeginsel is meegenomen. Daarnaast hebben we beoordeeld dat het in verband met het risico op ongelijke behandeling (gelijkheidsbeginsel) niet wenselijk is om buitenwettelijk een uitzondering te maken.
  13. Deelt het college de zorg dat deze handelwijze het vertrouwen in de overheid verder schaadt, juist bij een groep inwoners die reeds ernstig door overheidshandelen is getroffen?
    Antwoord: Het college heeft zich bij de besluitvorming aan de wet gehouden. Wanneer u in dit kader praat over herstel van vertrouwen dan ligt daar wat ons betreft een belangrijke verantwoordelijkheid bij de wetgever. We zien wel dat de huidige beeldvorming over deze casus in de media niet bijdraagt.
  14. Is het college bereid om deze casussen opnieuw te beoordelen vanuit het perspectief van de menselijke maat en het doel van de hersteloperatie?
    Antwoord: Het college dient zich aan de wet te houden. Of de wet op dit punt gewijzigd moet worden is een discussie die we wat ons betreft landelijk moeten voeren. Het college is daarom inmiddels een bestuurlijke lobby gestart. Op 4 april zijn er ook Kamervragen gesteld naar aanleiding van deze casus. Het college is blij dat ook via deze weg het debat op gang komt. De verwachting is dat de beantwoording deze maand volgt. We houden dit uiteraard nauwlettend in de gaten.
  15. Is het college bereid om – binnen de bestaande wettelijke ruimte – in deze en vergelijkbare gevallen gebruik te maken van de mogelijkheid om uitzonderingen toe te passen op de vermogensgrens, bijvoorbeeld door een dwangsom in dit specifieke kader aan te merken als (vooruitbetaling op) schadevergoeding of deze tijdelijk buiten beschouwing te laten? Zo nee, waarom niet?
    Antwoord: Een schadevergoeding en een dwangsom zijn duidelijk twee verschillende dingen. De wetgever heeft hier in het kader van de Participatiewet een welbewust onderscheid in gemaakt. Het is ook niet aan het college om op de stoel van de wetgever te gaan zitten.
  16. Klopt het dat ook in gevallen waarin sprake is van een schadevergoeding (en niet enkel een dwangsom) deze middelen door de gemeente worden betrokken bij de vermogensvaststelling binnen de bijstand? Zo ja, op basis van welke juridische grondslag gebeurt dit?
    Antwoord: Nee, de gemeente is verplicht alle vermogen waarover een inwoner met een bijstandsuitkering redelijkerwijs kan beschikken te betrekken bij de vermogensvaststelling voor de bijstand tenzij hiervoor in de Participatiewet of bijbehorende regeling een uitzondering is gemaakt. In de Participatiewet is opgenomen dat een schadevergoeding aan slachtoffers van de Toeslagenaffaire worden vrijgelaten.
  17. Hoe maakt het college in de praktijk onderscheid tussen:
    – schadevergoedingen voor geleden onrecht
    – en reguliere inkomsten of vermogensbestanddelen bij de toepassing van de bijstandsregels?
    Antwoord: Dat doet het college op basis van de Participatiewet (en bijbehorende regelingen).
  18. Op welke wijze past het college de hardheidsclausule binnen de Participatiewet toe in situaties waarin sprake is van aantoonbaar door de overheid veroorzaakt onrecht, zoals bij de toeslagenaffaire?
    Antwoord: Het college toetst aan het evenredigheidsbeginsel. Ook bij inwoners die niet geraakt zijn door de Toeslagenaffaire.
  19. Kan het college concreet onderbouwen waarom in deze gevallen géén sprake zou zijn van een uitzonderlijke situatie die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigt?
    Antwoord: Hierbij verwijzen wij naar het antwoord op vraag 7. Daarnaast merken wij op dat een algemene uitzondering maken voor een hele doelgroep (slachtoffers toeslagenaffaire of alle bijstandsgerechtigden die een dwangsom ontvangen) een andere afweging vergt dan een toets aan het evenredigheidsbeginsel/hardheidsclausule waarbij je kijkt of een besluit geen onevenredige nadelige gevolgen heeft in het specifieke geval. Een dergelijke algemene afwijking vergt een bredere landelijke discussie over de vraag of je hier van wetgeving af wil wijken c.q. de wetgeving op dit punt zou moeten worden aangepast.
  20. Hoe toetst het college zijn besluiten aan het evenredigheidsbeginsel zoals vastgelegd in artikel 3:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht?
    Antwoord: Door het maken van een zorgvuldige belangenafweging volgens het 3 stappenplan (het stappenplan is recent in de rechtspraak ontwikkeld). Hieronder volgt het gedetailleerde stappenplan voor toetsing:
    – Geschiktheid (Is het besluit geschikt?)
    Heeft het besluit het gewenste doel om het probleem aan te pakken?
    Is er een directe, redelijke relatie tussen de maatregel en het nagestreefde (wettelijke) doel?
    – Noodzakelijkheid (Is het besluit noodzakelijk?)
    Is het middel noodzakelijk om het doel te bereiken?
    Is er geen minder vergaand of minder ingrijpend alternatief beschikbaar dat hetzelfde resultaat bereikt? Als een lichter middel voldoet, is de zwaardere maatregel niet noodzakelijk.
    – Evenwichtigheid in enge zin (Is het besluit evenwichtig?)
    Staan de gevolgen van het besluit voor de belanghebbende in redelijke verhouding tot het doel?
    Hier vindt de afweging plaats tussen de betrokken belangen (bijv. algemeen belang vs. individueel eigendomsrecht).
  21. Kan het college per casus motiveren waarom het stopzetten van de bijstandsuitkering niet onevenredig is, gezien:
    – het doel van de hersteloperatie
    – de financiële en persoonlijke situatie van betrokkenen
    – en het feit dat het gaat om compensatie voor door de overheid veroorzaakt onrecht?
    Antwoord: Het college gaat niet in op individuele casuïstiek, verder verwijzen wij naar het antwoord op vraag 7.
  22.  Is het college bekend met recente jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep waarin het evenredigheidsbeginsel zwaarder wordt gewogen, en zo ja, hoe wordt deze jurisprudentie toegepast in het huidige beleid?
    Antwoord: Ja. Het evenredigheidsbeginsel is in deze situatie ook toegepast bij de besluitvorming.
  23. Deelt het college de opvatting dat het strikt toepassen van regelgeving, zonder aantoonbare belangenafweging per individueel geval, in strijd kan zijn met deze jurisprudentie? Zo nee, waarom niet?
    Antwoord: Ja, voor zover er ruimte is voor het college om een belangenafweging te maken (dit is dus afhankelijk of we te maken hebben dwingend recht of met een discretionaire bevoegdheid), moet er inderdaad altijd een belangenafweging worden gemaakt.
  24.  Hoe voorkomt het college dat de gemeente feitelijk het effect creëert dat een door de rijksoverheid toegekende compensatie via de bijstand weer (deels) wordt “teruggehaald”?
    Antwoord: Het is bewuste keuze van de wetgever om een dwangsom binnen de Participatiewet als middel (vermogen) aan te merken en aldus niet vrij te laten. Voor het college is hier geen keuzeruimte gegeven door de wetgever.
  25.  Is het college bereid om – mede in het licht van het evenredigheidsbeginsel en recente jurisprudentie – het huidige beleid en de toepassing daarvan te herzien, zodat wordt voorkomen dat compensatie voor overheidshandelen leidt tot nieuwe financiële benadeling van dezelfde inwoners? Zo nee, waarom niet?
    Antwoord: op basis van vaststaande jurisprudentie wordt een dwangsom binnen de Participatiewet aangemerkt als vermogen en is tevens dwingendrechtelijk bepaald dat er ingeval van vermogensoverschrijding geen recht op bijstand bestaat. Een algemene uitzondering voor slachtoffers van de toeslagenaffaire achten wij niet wenselijk, met het oog op een ongelijke behandeling van andere bijstandsgerechtigden die een dwangsom ontvangen. Wel zullen wij, voor zover het college daar ruimte voor heeft, in het kader van het evenredigheidsbeginsel, altijd een zorgvuldige belangenafweging voor elke specifieke situatie maken.

Ingediend d.d. 30-03-2026