De tweede column in de serie van 4: Waar stemde Nederland eigenlijk voor?
Link naar de eerste column van deze serie.

De EU als rookgordijn
Vrijdag wordt duidelijk waar D66, VVD en CDA het met elkaar over eens zijn.
Geen gezamenlijke EU-schulden (Eurobonds).
Een begrotingstekort onder de 2 procent.
En géén extra bezuiniging van 50 miljoen euro op de publieke omroep.

Dat klinkt beheerst. Verantwoord zelfs.

Maar wat niet werd gezegd, is minstens zo belangrijk: waar het geld wél vandaan moet komen om de al gemaakte miljardenafspraken en toezeggingen te betalen. Die vraag bleef onbeantwoord. Net als de vraag of er bovenop de huidige asielwetten — die nu al in de Eerste Kamer liggen — nog aanvullende afspraken worden gemaakt.

Daarover zou, zoals eerder al aangekondigd, worden gewacht op Europa.
En precies dáár wringt het.

Want Brussel zijn plannen zijn is ook bekend

En dat is net of toeval niet bestaat. Want de Europese plannen zijn namelijk bekend.

Volgens Brussel moet de Europese Unie de komende jaren de poorten verder openen voor legale migratie, zogenaamd in het belang van onze welvaart en als middel tegen illegale migratie. Dat betekent soepelere visumregels voor toeristen, studenten en werknemers. Deze versoepelingen kunnen later worden ingetrokken als drukmiddel, bijvoorbeeld wanneer landen weigeren uitgeprocedeerde asielzoekers terug te nemen.

In de praktijk betekent dit maar één ding: immigratie wordt genormaliseerd — structureel en permanent.

Illegaal wordt legaal.
Buitenlandse studenten krijgen voorrang boven Nederlandse.
En op de arbeidsmarkt komen lonen verder onder druk te staan.

Dat is niet waar Nederland voor heeft gestemd.

Migratie als Europees excuus

Wanneer het over immigratie gaat, volgt steevast hetzelfde antwoord:
Dit moet Europees worden opgelost.

Het klonk altijd redelijk. Verantwoord. Samen sterk.
Maar in de praktijk was het vooral een rookgordijn.

Tijd kopen met Brussel

In het politieke debat werd telkens verwezen naar Europa. Naar het nieuwe Europese asiel- en migratiepact dat in 2026 in werking treedt. Naar voorzitterschappen, afspraken en toekomstige verbeteringen. Het verhaal is steeds hetzelfde: even geduld, Brussel regelt het.

Maar wie beter kijkt, zag al geen oplossing in wording — maar tijd die wordt gekocht.

Tijd waarin de instroom doorgaat, de kosten oplopen en waarin gemeenten de gevolgen blijven dragen.

Het fundamentele probleem blijft onbesproken: wie beslist, en wie betaalt? Europese oplossingen zijn altijd duur.

De Europese aanpak volgt steevast hetzelfde patroon:
meer bureaucratie,
– meer overleg,
– meer uitvoeringslagen,-
– minder nationale zeggenschap,
– en uiteindelijk: meer kosten.

Nederland gaf binnen het Europese pact al aan niet te kiezen voor herplaatsing van asielzoekers, maar voor financiële compensatie. Met andere woorden: we betalen mee aan opvang en procedures aan de buitengrenzen, in de hoop dat de instroom hier uiteindelijk afneemt.

Dat is geen beleid. Dat is een gok.

En zoals bij elke gok geldt: als het misgaat, ligt de rekening niet in Brussel — maar hier.

Het geld stijgt op, de problemen dalen neer

Elke zogenoemde “Europese oplossing” eindigt lokaal.

In onze wijken, onze scholen, de zorg, veiligheid en op de woningmarkt.

Het geld stroomt omhoog naar Europese fondsen en structuren.
De gevolgen dalen neer in gemeenten.

Dat is geen toeval. Dat is systeemlogica.

Denemarken liet al zien dat het anders kan

Wie wil begrijpen waarom Europa vaak als excuus wordt gebruikt, moet naar Denemarken kijken. Niet naar wat het land doet tijdens een EU-voorzitterschap, maar naar wat het zélf al jaren heeft geregeld.

Denemarken voert een strikt nationaal immigratiebeleid:
tijdelijke verblijfsvergunningen,
– gezinshereniging pas na langere tijd,
– eigen bijdragen aan opvang,
– actief terugkeerbeleid/

Niet omdat Brussel dat vroeg.
Maar omdat Denemarken dat zelf besloot.

Cruciaal daarbij zijn de Deense opt-outs. Het land behoudt zeggenschap over asiel, justitie en politie. Zelfs Schengen wordt daar niet automatisch gevolgd, maar via eigen afspraken ingevuld.

Het verschil is simpel: wie ruimte houdt voor nationale keuzes, kan ook verantwoordelijkheid nemen.

Rookgordijnen in een democratie

Nederland heeft zich tweemaal uitgesproken over verdere Europese integratie:
In 2005 stemde 61,5% tegen de Europese Grondwet.
– In 2016 stemde 61,1% tegen het associatieverdrag met Oekraïne.

De uitkomst was telkens dezelfde: meer EU, minder inspraak.
Referenda verdwenen. Beleid bleef.

“Europa” werd geen gezamenlijke keuze, maar een bestuurlijk argument om nationale discussie te vermijden.

De kern van het probleem

Het probleem is niet Cyprus of Denemarken.

Denemarken liet tijdens zijn EU-voorzitterschap zien hoe ver Europese inmenging inmiddels reikt. Onder Deense leiding werd de digitale weerbaarheidsagenda versneld doorgevoerd. Wetgeving als NIS2, DORA, de Cyber Resilience Act en de CER-richtlijn verplicht steeds meer sectoren tot rapportage, monitoring en naleving. Dat raakt bedrijven, instellingen — en uiteindelijk burgers.

Ook Cyprus kreeg onder zijn voorzitterschap een duidelijke rol toebedeeld. Vanaf 12 juni 2026 kunnen landen aan de buitengrenzen niet langer vrijblijvend “vrij baan” geven zonder consequenties.

Zij worden verplicht tot:
Verplichte screening: elke migrant moet direct bij de grens worden geregistreerd in de vernieuwde Eurodac-databank, inclusief biometrische gegevens.
Grensprocedures: migranten met een geringe kans op asiel moeten verplicht een snelle procedure aan de grens doorlopen en mogen niet zomaar doorreizen naar landen als Nederland.

Dat klinkt daadkrachtig. Maar het raakt de kern niet.

Europa als afschuifmechanisme

Het probleem is dat Europa structureel wordt gebruikt om politieke verantwoordelijkheid te ontwijken.

Zodra naar Brussel wordt verwezen — zoals nu opnieuw bij migratie gebeurt — verandert er hier niets. De instroom loopt door. De kosten blijven stijgen. De gevolgen blijven lokaal voelbaar.

Door kosten te socialiseren en zeggenschap verder te centraliseren, schuift men de rekening steeds door naar gemeenten.

En gemeenten — zoals Enschede — betalen de prijs.

Waarom dit begint op 18 maart

Juist daarom zijn lokale verkiezingen geen bijzaak. Ze vormen de basis.
Gemeenteraden brengen nationaal en Europees beleid in praktijk — maar laten óók als eerste zien waar grenzen liggen en waar alternatieven en weerstand ontstaan.

Democratie werkt niet van boven naar beneden.
Zij werkt van onderop.

Wie lokaal stemt, zet druk op het nationale debat.
Wie lokaal kiest, doorbreekt het rookgordijn.

18 maart bepaalt niet alles —
maar zonder 18 maart verandert er niets.

En precies dát maakt de gemeenteraadsverkiezingen van maart 2026 belangrijker dan ooit.

Nooit opgeven. Niets doen is geen optie.
Voor het Belang van Enschede.
Hét kan wel!

In de volgende column: waarom lokaal stemmen nationaal telt.
Daarna: de financiële rekening die al is uitgeschreven — maar nog niet zichtbaar is