Lean and mean? Voor wie eigenlijk?
In De Telegraaf  [ 1 ] [ 2 ] deze week dat Nederland zó efficiënt is geworden, dat we een echte ramp niet meer aankunnen. Opschalen van IC-zorg, extra capaciteit bij een crisis of onverwachte tegenslag?

Het blijkt vooral een bestuurlijke illusie. We hebben ons systeem “lean and mean” ingericht — maar wel zó lean dat elke reserve is verdwenen.

Dat artikel raakt iets fundamenteels. Niet alleen in de zorg, maar in de manier waarop we onze samenleving hebben georganiseerd.

Mensen ervaren totaal wat anders

Want terwijl de overheid blijft praten over efficiëntie, ervaren mensen het tegenovergestelde. De overheid groeit — in aantallen, in regels en in bemoeienis — terwijl de uitvoering steeds dunner wordt. En precies dát maakt ons kwetsbaar.

Wat groeit, zijn vooral sectoren die weinig directe waarde toevoegen aan onze reële economie: beleid, toezicht, controle en coördinatie.

Wat krimpt, is de ruimte voor vakmanschap, initiatief en uitvoeringskracht.

Meer overheid, minder weerbaarheid

We hebben geen kleine overheid gekregen, maar een verkeerd gegroeide overheid.
Ze groeit in:
– beleid
– toezicht
– management
– communicatie
– controle
Maar krimpt in:
– vakmensen
– uitvoeringskracht
– buffers
– nabijheid
– gezond verstand
In de zorg betekent dat: volle roosters, geen reserve, geen ademruimte.
Bij de politie: reactief optreden, nauwelijks tijd voor preventie.
Bij defensie: jarenlange afbraak, gevolgd door paniek wanneer de wereld verandert.
En lokaal zien we exact hetzelfde patroon.

De gemeente als miniatuur van het probleem

Op gemeentelijk niveau wordt dit pijnlijk zichtbaar.
Gemeenten krijgen:
– steeds meer taken en regels
– maar minder beleidsvrijheid
Tegelijkertijd groeit het ambtelijk apparaat, terwijl:
– wachttijden oplopen
– ondernemers vastlopen
– inwoners verdwalen in loketten
– problemen worden “doorgeschoven” naar zorg, handhaving of (bijzondere) bijstand

De gemeente is steeds vaker regisseur, maar steeds minder oplosser.

En ondertussen wordt tegen uitvoerende partijen gezegd:
“Doe het efficiënter, goedkoper en met minder.”
Dat geldt voor zorginstellingen, woningcorporaties, aannemers, welzijnsorganisaties — én uiteindelijk voor de inwoners zelf.

Wie verdient, wie bestuurt, wie voelt de pijn?

Hier wringt het economisch én moreel.
De groep mensen die:
– werkt
– onderneemt
– risico draagt
– belasting afdraagt wordt relatief kleiner.
De groep die:
– herverdeelt
– reguleert
– controleert
– beleid maakt blijft groeien.
Dat is geen oordeel over ambtenaren als mensen — het is systeemkritiek.

Een samenleving kan niet structureel blijven draaien op een steeds kleinere productieve basis, terwijl de bestuurlijke laag blijft uitdijen.
Mensen voelen dat haarfijn aan.
Niet in grafieken, maar aan de keukentafel.

Efficiëntie zonder buffers is geen kracht, maar kwetsbaarheid

Wat het Telegraaf-artikel blootlegt, is dit:
efficiëntie is verward met kracht.
Maar een samenleving zonder reserve is geen sterke samenleving.
Een overheid zonder uitvoeringsruimte is geen betrouwbare overheid.
En een gemeente die alles dichtregelt, maar niets kan opvangen, is geen vangnet.
We hebben geleerd om alles strak te organiseren — maar zijn vergeten waarom we dat deden:
om mensen te beschermen, niet om systemen overeind te houden.

Tijd voor een andere bestuursfilosofie — ook lokaal

Juist richting de gemeenteraadsverkiezingen is dit geen abstract debat.
De vraag is simpel:
– willen we meer sturing, of betere uitvoering?
– meer regels, of meer vertrouwen?
– meer afstand, of meer nabijheid?
Mijn overtuiging is duidelijk én nuchter:
een overheid moet begrenzen waar nodig, beschermen waar het moet — en zich verder terughoudend opstellen.
Dat geldt nationaal.
Maar het begint lokaal.
Duurzame verandering ontstaat niet in beleidsnota’s, maar dichtbij mensen.
Zichtbaar.
Voelbaar.
En uitvoerbaar.

Want een samenleving die alleen nog efficiënt lijkt op papier,
maar faalt zodra het erop aankomt,
is niet lean and mean —
maar leeg en kwetsbaar.



Nooit opgeven. Niets doen is geen optie.
Voor het Belang van Enschede.
Hét kan wél.